niet progressief of op andere wijze van zijn eigen moraal overtuigd
vrijdag 30 juli 2010

Donatie

Ja, Jaap is mijn vriend!

Feuilleton: The Ana-files (11)

Voor iemand die nauwelijks eten tot zich neemt, denk ik er verontrustend vaak aan. Hele dagen verdwijnen in de eeuwige ‘zal ik wel, of zal ik niet?’ strijd die zich afspeelt in mijn hoofd. Wel of geen minuscuul stukje taart als een jarige collega uitdeelt – weigeren kan als een belediging worden opgevat, toestemmen heeft een dag van totale paniek tot gevolg -, wel of geen plakje volvette kaas wanneer de 30+ variant in de kantine op blijkt te zijn, wel of geen broodje kroket van de snackbar als ik voor mijn werk op pad ben en zelf niet kan bepalen hoe mijn avondmaaltijd eruit zal zien.

Ik heb namelijk wel honger, zij het een stuk minder dan een ‘normaal’ mens. Vergelijk het met iemand die veel te dik is en een maagverkleining ondergaat. Hij of zij zal vervolgens sneller verzadigd zijn en minder behoefte hebben aan voedsel. Dat is bij mij precies hetzelfde. Door jarenlange training is mijn lijf wel wat gewend. Ik kan dus gemakkelijk een hele dag zonder eten. Of op een lege maag 50 km fietsen, zes uur wandelen, drie uur sporten of een hele nacht dansen. En ja, dat is proefondervindelijk vastgesteld.

Afrikaans kindje met hongerbuik
Wanneer ik wel eet, doe ik dat schematisch: op vaste tijdstippen, altijd hetzelfde. Dat is op het neurotische af: één boterham met pindakaas om 09.50 uur, twee crackers – één met 30+kaas, één met mozarella - en een sinaasappel om 12.30 uur één appel om 15.30 uur en avondeten om 19.00 uur. Elke onvoorziene verandering zorgt voor stress. Deels omdat ik daarmee zelfbedachte regels overtreedt, deels omdat ik geen flauw idee heb wat eigenlijk redelijke hoeveelheden zijn. En dat kan mijn lichaam me ook niet (meer) vertellen. Daarnaast heeft het jarenlange vasten zijn sporen achtergelaten in mijn lichaam. Vet kan ik nauwelijks verdragen, omdat ik vocht vasthoudt en mijn stofwisseling slecht werkt zie ik er ik regelmatig uit als een witte versie van het bekende Afrikaanse kindje met hongerbuik en om het feest compleet te maken word ik aan de lopende band getrakteerd op darmontstekingen.

Maar zoals een alcoholist het gelukkigst is als hij een vol biertje voor zich op tafel heeft staan, zo ben ik verslingerd aan mijn permanente hongergevoel. Een volle maag staat voor falen, mislukking, teleurstelling. Honger betekent controle, winst, macht. Mind over body: ik bepaal zelf wat er wel en niet in mijn mond verdwijnt, ik laat me niet ringeloren door zoiets banaals als lichamelijk ongemak. Toegeven aan een knorrende maag is falen, het verliezen van een wedstrijd die ik zelf heb verzonnen en waarin ik zowel speler als scheidsrechter ben.

BMI-drempel

Word ik echter geconfronteerd met stress, teleurstelling of tegenslag, dan volstaat het vaste patroon niet meer. Ik kan niet omgaan met verdriet, dus demp ik mijn gevoelens met een rammelende maag. Dat veel eetstoornisklinieken een minimale BMI-drempel hanteren en de therapie in eerste instantie vooral is gericht op aankomen in plaats van de achterliggende problematiek aan te pakken, is natuurlijk niet voor niets. Mijn ondergewicht en weinig indrukwekkende voedingspatroon zorgen ervoor dat mijn emoties afzwakken. En dat is precies de bedoeling.

Vanwege het feit dat ik me door een deadline op het werk, ruzie met een vriendin of mislukte romance van streek heb laten maken, heb ik bovendien straf verdiend. Daarin ben ik weinig origineel. De boetedoening is altijd hetzelfde: nog minder eten. Net zolang vasten totdat ik licht ben in mijn hoofd, sterretjes zie en tot weinig meer in staat ben dan lusteloos op de bank te hangen. Om vervolgens tevreden te constateren dat mijn kleinste spijkerbroek alweer van mijn heupen afzakt. Mooi. Weer gewonnen.

Lees hier deel 1 van The Ana-files.
Lees hier deel 2 van The Ana-files.
Lees hier deel 3 van The Ana-files.
Lees hier deel 4 van The Ana-files.
Lees hier deel 5 van The Ana-files.
Lees hier deel 6 van The Ana-files.
Lees hier deel 7 van The Ana-files.
Lees hier deel 8 van The Ana-files.
Lees hier deel 9 van The Ana-files.
Lees hier deel 10 van The Ana-files.



Reacties

Eén reactie op “Feuilleton: The Ana-files (11)”

  1. Alf Berendse zegt:

    Anna, wel honger maar minder, schrijf je. Maar genoeg honger nog om er de strijd mee aan te gaan.
    Net als bij drugverslaving wordt er bij anorexia, bij veel behandelingen ervan, gezocht naar ‘achterliggende problemen’. In verslavingsklinieken wordt dan veelal voorbij gegaan aan de verschijnselen van het direct ervaren probleem, de drugverslaving. Op die manier wordt de verslaving een psychisch probleem, terwijl de verschijnselen ervan (wat verslaafden daarover zeggen) somatisch zijn, aantoonbaar fysiologisch en aannemelijk neurofysiologisch.

    Minder hongergevoel zal een aanpassing zijn, van het lichaam op minder eten. Zonder die aanpassing is het minder eten misschien ook niet vol te houden. Het kan een aanpassing direct in het lichaam zijn (fysiologie, aangepaste stofwisseling), maar ook een in het brein (van de hypothalamus die het honger- en verzadigingsmechanisme aanstuurt, neurofysiologie).

    Ik heb gegoogled naar neurotransmitters en honger. Er worden neurotransmitters genoemd die een uitwerking zouden hebben op het honger- en voedingsmechanisme in de hypothalamus. Bij een toename van CART (bijvoorbeeld als gevolg van cocaïne- of amfetaminegebruik, vandaar de naam Cocaine and Amphetamine Regulated Transcript) en/of een afname van NPY zou de honger afnemen, c.g. de verzadiging sneller optreden. Het blijft onbewijsbaar, omdat ook bij honger en verzadiging het ongrijpbare fenomeen ‘menselijke geest’, en hoe die e.e.a. subjectief ervaart, een rol speelt.

    Desondanks vind ik het bedenkelijk dat anorexia zo totaal in de psychiatrische hoek is getrokken, dat het wordt gezien als psychologisch probleem (‘achterliggende problematiek’), dat de (neuro)fysiologische kant ervan zo weinig aandacht krijgt. In eerste en laatste instantie is het m.i. een somatisch verschijnsel.

    Misschien is het bij anorexiapatiënten zo dat de hypothalamus zich sneller aanpast aan minder caloriën dan bij anderen die minder caloriën innemen. Dat zou dan de ‘aanleg tot’ kunnen zijn.
    Als ‘anorecten’ sneller minder honger krijgen dan anderen, dan maakt dat het ‘makkelijker’ het minder eten vol te houden.

    Maar bij een strijd tussen de wil (niet eten) en de fysieke impuls (honger) is de kracht van de strijdende partijen niet meetbaar. Ik vergelijk het, voor nu, met onthoudingsverschijnselen bij het acuut stoppen met gebruik van een verslavende drug. De een klaagt over veel en ‘zware’ onthoudingsverschijnselen en houdt het niet vol, een ander noemt de onthouding ‘vervelend, meer niet’ en houdt het wel vol. Is er nu een verschil tussen beide personen in zwaarte van de onthoudingsverschijnselen, of in sterkte van de wil? Hebben anorexiapatiënten al snel minder honger dan anderen, of een sterkere wil om honger te weerstaan? Is het ziekte (een stoornis in het honger- en verzadigingsmechanisme) of is het kracht?

    Je schrijft ‘mind over body’, je laat je niet ringeloren door lichamelijk ongemak. Hoe zit het dan met ‘mind over mind’, je niet laten ringeloren door een wil om niet te eten? Waarom is het moeilijk om de wilskracht die je inzet bij niet eten, in te zetten voor wel eten? Spelen daarbij de ‘achterliggende problemen’ een rol, laat je de ‘redenen’ om niet te eten zwaarder wegen dan de redenen om het wel te doen?

    Ha, als jij je door mijn vragen laat sturen, dan wordt je feuilleton ‘grenzeloos; ik heb er nog wel wat.

Laat een reactie achter