De eerste muur is bijna helemaal Keniaans geel. Willem komt binnenlopen terwijl ik de tweede muur verf. Hij gooit zijn spijkerjack op een stoel, rolt een verfroller door een bak en klimt op een kruk. ‘Alles goed?’ vraag ik. Hij bromt instemmend. Kleine pukkeltjes verf vermenigvuldigen zich op zijn armen terwijl hij ons plafond Casablancarood schildert. Willem is altijd behulpzaam en vriendelijk, maar bij alles wat je zegt wacht hij net iets langer met antwoorden dan anderen — áls hij al iets terugzegt — waardoor je het gevoel krijgt dat wat je zegt niet handig is, niet cool. Misschien zijn het zijn Friese roots. Milan wordt er ook vaak onzeker van. We verven. Langzaam wordt het stil in mijn hoofd. Rollen en dopen, rollen en dopen. Door de open deur hoor ik ergens een kind schreeuwen, uitgelaten. Dan begint het te lachen. Andere kinderen reageren. Een vliegtuig raast over. Een hondje bewaakt keffend het balkon van zijn baas. ‘Lizzy is weer weg,’ zeg ik. ‘Ze móést haar mid terms halen, anders kreeg ze een negatief studieadvies.’ Willem duwt zijn roller in de verfbak.
‘O.’
‘Ze heeft nog anderhalf jaar te gaan.’
Stilte.
‘Hebben jullie nou weer wat?’
‘Kijk eens, jongens.’ Mijn moeder zet twee mokken dampende chocolademelk neer. Mijn vaders lievelingsdrank. Mijn lievelingsdrank. ‘Ziet er goed uit, Willem.’ Dan draait ze zich om en loopt de deur weer uit.
Willem klimt van de kruk af en pakt een beker.
Ik ga op een latexemmer zitten en neem een slok. ‘Ja, die Lizzy. Een man weet niet wat ’ie mist.’
Willems telefoon rinkelt. Hij trekt hem onhandig uit zijn broekzak, wacht op mijn knik en neemt dan pas op.
‘Ha… Hallo? Nee… Bij Tom…’ Hij glimlacht even. ‘Nee.’ Hij luistert ingespannen en kijkt me aan het einde van zijn gesprek weer kort aan, betrapt bijna. ‘Doe ik.’ Hij klapt zijn telefoon dicht. ‘Milan komt ook.’
‘Wat zei hij?’
Willem schrikt.‘Niks. Niks bijzonders.’
Ook weer zo’n keurige kant van Willem: hij zal nooit iets zeggen over iemand die er niet bij is.
We drinken onze chocolademelk op, schilderen verder. Het enige wat we nu horen zijn de walsende, knetterende verfrollers. De muren veranderen van kleur.
Plotseling klinkt boven onze hoofden een doffe, harde plof, alsof iemand een baksteen op het dak van het tuinhuisje gooit. Willem en ik kijken elkaar aan en lopen naar buiten. Er is niemand te zien. Nieuwsgierig klim ik op de groene bak naast het tuinhuisje.
In de spiegelende plas water op het dak ligt een duif, zijn nek geknakt, zijn kop verborgen in de rotte bladerdrek. Zijn gekromde pootjes steken de lucht in. Ik kijk omhoog. Geen antennes, geen draden, geen netten. Geen mensen achter de ramen. Een leeg, grauw wolkendek.
‘Deze vogel trok het niet meer, Willem. Haal jij een vuilniszak?’
Willem sjokt naar de keuken en komt even later teruglopen met een rol vuilniszakken en mijn moeder. Ze heeft een paar gele schoonmaakhandschoenen in haar handen.
‘Is er wat kapot?’ vraagt ze.
Ik wijs op het dak. ‘Deze duif.’
‘Welke duif?’
Willem steekt de rol omhoog, net een atleet met een estafettestokje.
‘Wie doet zoiets dan? Dat kan toch niet zomaar. Hè getver. Wat is dit toch een nare wijk,’ zegt ze.
‘Mam, hij is gevallen, misschien ergens tegenaan geknald, misschien had ’ie kanker. Een hersenbloeding. Hartaanval. Punt is: dat ding is dood en ligt hier te rotten. Ja?’
‘Nou nou,’ moppert ze, ‘gedraag je eens, Tom.’ Dan draait ze zich om en loopt weer naar binnen.
De duif heeft een grote bloederige wond op zijn buik, een stuk roze bot steekt scheef omhoog. Met de vuilniszak als handschoen pak ik de vogel vast. Hij is warm en stevig als een kersenpittenkussentje. Ik zet mijn voeten terug op de vuilcontainer.
Ineens begint de duif in de vuilniszak driftig te spartelen, de container onder me wankelt.
‘Sta stil!’ roept Willem.
‘Opzij!’ Ik spring, veer door mijn knieën — net als Spiderman — en kom omhoog met de steeds wilder spartelende duif in de vuilniszak.
‘En nu?’ vraagt hij, zijn bromstem paniekerig boven het plastic gekraak. Ik heb Willem nog nooit in paniek gezien.
Ik kijk even in de zak en laat hem geschrokken op het platgelopen gras vallen. ‘Hij slaat de hele tijd rondjes met zijn ene vleugel, Willem.’
Willem knikt. Ik doe een stapje naar achter.
Willem doet een stapje naar achter.
De vuilniszak stopt met kraken.
Ik kijk richting de keuken, hoor mezelf hijgen. Mijn moeder maakt schoon. Misschien kunnen we vergeten dat dit gebeurt. Misschien kunnen we doen alsof de duif nog leeft, dan kunnen we gewoon —
De vuilniszak sputtert weer.
Willem deinst achteruit. Ik bijt op mijn bovenlip. Dan pak ik de zak op, slinger hem in de rondte en smijt hem zo hard mogelijk tegen de muur van het tuinhuis. De zak komt op de rand van de groene bak terecht en glijdt naar de grond.
Willem sluipt dichterbij en spiekt in de vuilniszak. ‘Dood,’ zegt hij.
‘Zeker weten?’ Hij pakt de zak op en doet de vuilnisbak open. ‘Sorry,’ zegt hij tegen de vogel.
Op het moment dat hij de zak wil laten vallen, begint de zak weer te bewegen. ‘Jezus!’ gromt Willem, ‘maak ’m dood, ja? Maak ’m nou dood!’
Ik pak de zak van Willem over en sla ermee tegen de muur. En nog eens. En nog eens. En nog een keer of vijf. Zes. Acht. Negen. Dan trek ik de vuilnisbak open, smijt de zak erin en klap de deksel dicht. Met ingehouden adem kijken Willem en ik elkaar aan. Het blijft stil in de container. Langzaam ademen we uit.
Over Willems schouder zie ik mijn moeder staan, achter het grote slaapkamerraam. Er hangen nog geen gordijnen. Ze staat in een leeg vierkant. Ze houdt haar hand voor haar mond.
Alles ruikt naar chocola is de debuutroman van Sidney Vollmer en wordt uitgegeven door uitgeverij Podium.
Een reactie op “Sidney Vollmer: Alles ruikt naar chocola (fragment)”
Sorry, het reactieformulier is momenteel gesloten.










Ik hoor goeie dingen over hem. Schijnt leuk op te treden ook. Goeie aanvulling bij DeJaap dus. IEdere week voortaan?