En toen was ik weer eens boos. Op de hele wereld, maar wederom vooral op mezelf. Omdat het me nog steeds niet lukt om aan te komen. De waarschuwingen zich rap blijven opstapelen. Ik het gevoel heb dat ik iedereen teleur stel. En de ‘grote doorbraak’ – insert Hollywood-momentje waarin de vrouwelijke hoofdpersoon een stralende horizon en even glorieuze toekomst tegemoet loopt – dientengevolge nog even op zich laat wachten.
‘Wat denk je zelf?’, vraagt mijn ‘socio’ als ik me op maandagochtend voor de zesde keer in evenveel weken van mijn kleren ontdoe. Ik haat die vraag. Als het over mijn gewicht gaat, kan je me vrijwel alles wijsmaken. Zes kilo erbij, twee kilo eraf: ik geloof het direct. Mijn lichaam is een vreemde voor me, ik heb geen flauw idee wat het denkt, voelt of doet. Bovendien kan ik een hoop leukere dingen bedenken dan om half negen ’s ochtends in het gezelschap van twee vreemden in mijn ondergoed te staan. Ik wil gewoon de weegschaal op, en snel een beetje; des te eerder is het weer voorbij.
Lees verder »
De eerste dag dat ik de kliniek binnenstapte, gaf ik eigenlijk ook min of meer de regie over mijn eigen leven uit handen. Het was niet langer aan mij om te bepalen wat ik at. Hoeveel ik naar binnen werkte. En, het feit waar ik waarschijnlijk de meeste moeite mee had én heb, hoeveel ik weeg. Een BMI van 20, daar moet ik van de psychologen naartoe. En snel een beetje, zodat we daarna eindelijk met het echte werk kunnen beginnen. Lees verder »
Het zou mooi zijn als ik me nog kon herinneren wanneer ik voor het laatst ergens trek in had. Dat ik over vijftig jaar op mijn leven kon terugkijken en zeggen: ‘ik weet het nog goed, het was 15 januari 1992 en ik had de onbedwingbare behoefte aan een pure chocoladereep met hazelnoten’. Er moet ooit een tijd zijn geweest dat ik daadwerkelijk genoot van eten. De waarheid is echter dat ik zelf geen flauw idee heb wanneer dat precies zo was. Hoe het voelde. En wat er daarna veranderde. Lees verder »
‘Kleed je hier maar uit tot op je ondergoed, ik ben zo terug. Ben je al klaar? Ga dan maar tegen die witte muur staan. Ietsje verder weg graag. Zo, ja. En kan je dan je armen recht voor je uitstrekken? Gewoon blijven doorademen. Nu een kwartslag draaien. Nee, maakt niet uit welke kant op. Goed zo. Rustig aan, je doet het prima. Even doorzetten. Over vijf minuten is het allemaal voorbij.’ Lees verder »
Een uur ’s middags. Er staan twee boterhammen voor mijn neus, keurig in kleine vierkantjes gesneden. De ene bruine boterham is belegd met oude kaas en tomaat. Op de andere heb ik pindakaas gesmeerd. Inmiddels ruim een half uur geleden, dus de kaas begint al een beetje te zweten. Elke vijf minuten kijk ik even naar mijn bord, om het daarna zuchtend weer van me af te schuiven. Ik ben kotsmisselijk. Want ik eet overdag nooit brood. Daar word je namelijk dik van. Of tenminste, dat heb ik een jaar of vijftien geleden besloten.
‘Mag ik eerst, ik moet echt heel nodig plassen.’ Het meisje naast mij in de rij kijkt me vragend aan en wiebelt daarbij constant van haar ene op haar andere been. ‘Ik moet vandaag twee kilo aangekomen zijn, anders heb ik een probleem. Dus heb ik net een paar liter water gedronken.’ Even voelt het alsof ik in een slechte B-film ben beland. Natuurlijk, ik kende de verhalen over anorexiapatiënten die voordat ze op de weegschaal moeten liters water drinken of gewichtjes aan hun benen binden om hun therapeut voor de gek te houden. Dat het in werkelijkheid ook zou gebeuren, daar had ik eigenlijk nooit over nagedacht. Maar dit is geen film. Dit is mijn leven en over vijf minuten ben ik zelf aan de beurt.
Op vrijdag meld ik me bij de eetstoornissenkliniek voor een opname-voorbereidendgesprek. Waar zowel mijn individuele gesprekken als de eerdere groepssessies plaatsvonden in het hoofdgebouw, word ik deze keer verwacht in de dependance. En dat is schrikken. Het pand, vermoedelijk gebouwd in de jaren tachtig, ziet eruit alsof er sindsdien nooit meer enig onderhoud heeft plaatsgevonden. Het ruikt bedompt en zowel de muren als het linoleum hebben een grauwbeige kleur.
Wekenlang lukt het me aardig de naderende therapie compleet te negeren. Ik werk, ga op vakantie, zit in de kroeg, spreek af met vrienden en ben eigenlijk best gelukkig. En dan ineens, op een maandagavond, overvalt het me. Nog maar 13 dagen. Dan moet ik weer. Weer elke week de weegschaal op, weer bergen boterhammen eten en daarna braaf noteren op mijn eetlijst, weer elke emotie tot aan vervelens toe benoemen, bespreken en ontleden met een groep vreemden. En ik wil het niet. Maar dat durf ik tegen niemand te zeggen.
Er staat een schaaltje pinda’s op de bar. Grote, gele pinda’s, glimmend van het vet. Dat zijn 593 kilocalorieën per 100 gram, weet ik uit mijn hoofd. Een gemiddelde vrouw heeft 2000 kilocalorieën per dag nodig. Omgerekend is dat ongeveer 11 handjes pinda’s. Per dag. Rondom het schaaltje staan drie glazen bier (80 kilocalorieën per stuk) en een witte wijn (70 kilocalorieën). Ik houd eigenlijk niet van drinken dat calorieën bevat. Dat vind ik zonde. Dus drink ik extra langzaam, terwijl ik ondertussen dappere pogingen doe het gesprek enigszins te volgen. Je denkt rare dingen als je nerveus bent.
Ondertussen dendert de trein vrolijk verder. Nadat ik mijn werk heb ingelicht, bel ik de kliniek om te vertellen dat ik
me gewonnen geef. Ik ga het doen. Ik ga beter worden. De therapeut aan de andere kant van de lijn klinkt opgetogen, tevreden bijna. ‘Dat is een goede keuze,’ zegt ze hoorbaar glimlachend. ‘Het gaat niet gemakkelijk worden en er zullen de komende maanden vast meer dan voldoende moeilijke momenten komen, maar ik beloof je: als je je maar genoeg inzet, zal je er geen spijt van krijgen.’
Maandagochtend, kwart voor negen. Na een lang weekend vrij is het nu nog uitgestorven op kantoor. Ongetwijfeld stilte voor de storm, zeker voor mij. De afgelopen nachten heb ik nauwelijks geslapen. Mijn hart bonkt in mijn keel, het zweet staat in mijn handen en ik heb het ijskoud. Nerveus lik ik over mijn droge lippen. Dit is de maandag waarop het moet gebeuren. Dit is de maandag waarop ik ga vertellen dat het niet meer gaat.
Ik ben het meisje met de honderdduizend vrienden. Het meisje met de scherpe tong. Het meisje dat immer lief, vrolijk en behulpzaam is. Geen avond alleen doorbrengt, maar in plaats daarvan dapper van afspraak naar afspraak, van kroeg naar disco en van bioscoop naar – oh, de ironie – restaurant holt. Altijd druk, altijd bezig, altijd omringd door mensen. En toch ben ik eenzaam.
‘Cliënt heeft een ernstige aandoening die haar zodanig in haar dagelijks leven beperkt dat intensieve behandeling essentieel is om ervoor te zorgen dat zij beter wordt. Het is daarom mijn advies om mee te gaan in het behandelplan van de kliniek en werkzaamheden van cliënt het komende half jaar te beperken tot maximaal 24 uur per week.’
Ik heb twee zusjes en tot niet zo heel erg lang geleden betekende dat niet zoveel. Ze waren er gewoon, ik zag ze op verjaardagen en andere verplichte feestmomenten en de rest van die tijd leefden we onze eigen levens. Eerder oppervlakkige kennissen dan zielsverwanten. Meer tot elkaar veroordeeld dan door een bloedband op diep niveau met elkaar verbonden. Gesprekken bleven doorgaans beperkt tot het uitwisselen van beleefdheden en platitudes. En eigenlijk vond ik dat wel prima.
Feuilleton: The Ana-files (32)
Toen de ex zich ophing aan een boom, was ik 25. Dat het niet goed met hem ging, wist ik. Dat het gevaar bestond dat hij – na een aantal eerdere mislukte pogingen – wederom zou besluiten dat het mooi was geweest, eveneens. Maar dat het hem deze keer wel eens écht zou kunnen lukken, daar had ik nooit over nagedacht. Wilde ik niet over nadenken, misschien. Tot ik de gewraakte e-mail kreeg.
Ik kan net zo lang mijn adem inhouden totdat ik het bewustzijn verlies. Dat weet ik omdat ik het een keer heb getest. Ik zat toen nog op de lagere school, dus ik moet een jaar of elf zijn geweest. We deden een wedstrijdje ‘wie kan het het langst’. Toen ik bijkwam, duurde het even voordat ik begreep dat mijn perspectief zo vreemd was omdat ik ondersteboven in de schoolbank hing. Ik had wel gewonnen.
13 april 2010. Vandaag is het exact een jaar geleden dat ik me aanmeldde bij de eetstoornissenkliniek. Na weken van eindeloos twijfelen en vechten, belde ik op een doordeweekse woensdagochtend om 9.00 ’s ochtends zenuwachtig naar het telefonisch spreekuur. Een vriendelijke meneer aan de andere kant van de lijn onderwierp me vervolgens een uur lang aan een kruisverhoor. Hoe zag mijn eetpatroon eruit? Wat waren mijn lengte, gewicht en bijbehorende BMI? Vond ik zelf dat ik een probleem had? En zo ja, wat verwachtte ik van hen bij het oplossen daarvan?
‘We vinden eigenlijk dat je moet worden opgenomen’. Direct begint de kamer te draaien. Gezichten veranderen in schimmige vlekken, een doordringende zoemtoon start in mijn hoofd. Ik vang alleen nog maar flarden van het gesprek op. ‘Niet goed zo’, zegt de psycholoog. ‘Weinig progressie.’ ‘Veel intensievere begeleiding nodig.’ ‘Kunnen niet voor de gevolgen instaan.’ ‘Je redt het niet alleen.’ ‘Redt het niet alleen.’ ‘Redt het niet alleen.’
Feuilleton: The Ana-files (28)
In de ‘gewone wereld’ is het doorgaans gissen wat mensen exact van je vinden. Natuurlijk, je kunt er gevoeglijk van uitgaan dat je vrienden niet al te veel slechte gedachten over je koesteren. Maar hoe ze je precies zien; dat blijft meestal onbesproken. Zo niet in de wereld der psychotherapie. Daar is het namelijk belangrijk om alles bespreekbaar te maken. Geen gedachte is van jezelf, geen gevoel blijft onbehandeld. Lees verder »








Laatste reacties