‘Denken, denken; voelen, voelen; oordelen, oordelen.’ De stem van de therapeut klinkt zacht, fluisterend bijna. Ik lig op een yogamatje. Ogen dicht, hoofd op een kussen, benen hoog opgetrokken en handen gevouwen in mijn schoot. Aan mijn linkerkant bevindt zich een mede-anorect, aan de rechterkant ligt een boulimiapatiënte. Welkom bij de Mindfulness Zelfhulpgroep.
Er zijn onderwerpen waar je het liever niet over hebt. Omdat het simpelweg te pijnlijk is om erover te praten. Of omdat je, zolang ze niet hardop zijn gezegd, kan doen alsof ze niet waar zijn. De kop-in-het-zand methode heeft jarenlang als mijn overleefstrategie gefungeerd. Werd ik door iemand slecht behandeld? Niet meer aan denken. Verloor ik mijn baan? Negeren en doorgaan. Belandde ik in het ziekenhuis? Blocken en vergeten.
Een sessie bij de eetstoorniskliniek begint altijd op de weegschaal. De mijne heb ik al jaren geleden de deur uit gedaan: het bleek iets teveel tijd te kosten om vijf keer per dag al mijn kleren uit te trekken om te kijken of ik in vergelijking met een paar uur daarvoor was aangekomen of afgevallen. In plaats daarvan gebruik ik mijn kleding als graadmeter: zolang alles ruim zit, is er geen reden voor paniek. Begint mijn broekrand een beetje te knellen, dan wordt het hongerregime tijdelijk strenger doorgevoerd.
Om een goede anorekt te zijn, heb je maar een paar dingen nodig: een flinke dosis doorzettingsvermogen, een perfectionistische persoonlijkheid aangevuld met een hoge pijngrens en zo weinig mogelijk zelfvertrouwen. Een slechte band met je ouders is een pre, net als een verkrachting of anderszins slechte ervaringen met mannen. Tot het moment waarop ik me aanmeldde bij de eetstoornissenkliniek heb ik altijd gedacht dat mijn gekte en ik bijzonder waren, maar niets blijkt minder waar: elke anorekt worstelt met hetzelfde.
Soms lijkt de werkelijkheid ongeloofwaardiger dan het meest clichématige Hollywood-scenario. Begin juni komt eindelijk het lang verwachte en gevreesde telefoontje: de kliniek heeft plek voor me, ik kan twee weken later langskomen voor een intake. Met de officiële uitnodiging per brief valt er ook een dikke stapel papier in de bus. Allemaal vragenlijsten die ik voor de afspraak moet invullen. De dagen daarna worstel ik me dapper door de schijnbaar eindeloze hoeveelheid vragen heen. ‘Denk ik wel eens na over de dood?’ ‘Heb ik, als ik over straat loop, het idee dat de hele wereld het op me heeft gemunt?’ ‘Beperkt mijn geestelijke toestand me in het dagelijks functioneren?’ ‘Voel ik me wel eens bang/boos/agressief/verdrietig/ongelukkig/wraakzuchtig/alleen?’
Begin 2009 stort het zorgvuldig opgebouwde kaartenhuis in. Totaal onverwacht – voor mij althans – loopt mijn relatie na zeven jaar op de klippen. Leven met een eetgestoorde is niet gemakkelijk, vriendlief heeft er na een jarenlang gedoogbeleid eindelijk genoeg van. Hij is het zat een vriendin te hebben die altijd ziek, depressief of ongelukkig is. Hij wil iemand waarmee hij op een zondagmiddag uitgebreid kan gaan lunchen in een restaurant; geen eetgestoorde idioot die vervolgens urenlang het broodje mozzarella-pesto-tomaat over haar bord zit te schuiven.
Vijftien jaar. Dat is 5.475 dagen, 131.400 uur, 7.884.000 minuten of 473.040.000 seconden. Een heleboel tijd om te verspillen aan calorieën tellen, uithongeren, kotsen en laxeren. Toch is dat precies wat ik de afgelopen vijftien jaar met mijn leven heb gedaan.








Laatste reacties