18 maanden.Dat is 78 weken. 546 dagen. 13.104 uur. 786.240 minuten. 47.174.400 seconden. Een behoorlijke lange tijd om naar je eigen navel te staren.Toch is dat precies wat ik de laatste 1,5 jaar met mijn leven heb gedaan. En eigenlijk ben ik net begonnen. Toen ik me in de zomer van 2008 voor het eerst meldde bij de anorexiakliniek, dacht ik zelf dat het wel meeviel. Zoals iedereen met een eetstoornis, weet ik inmiddels. Oké, ik kan een kilootje of 15 ondergewicht. Sliep maar een paar uur per nacht. Strompelde van darminfectie naar trombosebeen naar huidontsteking. Altijd pijn, altijd bang, altijd eenzaam. Maar goed, iedereen heeft wel eens iets. Toch?
Lees verder »
Lente, zomer, herfst; mijn tijd in de eetstoornissenkliniek beslaat inmiddels drie seizoenen. Vijf maanden heb ik er nu opzitten. Vijf maanden van eten, praten, janken, schreeuwen en nog meer eten. Maar ook: vijf maanden van veiligheid. Van vooral veel ‘dingen moeten’ in plaats van zelf na te denken over wat ik wil. Van duidelijke regels en een systeem van straffen en belonen. Met mijn ijzeren discipline en regeltjes-fetisj gedij ik natuurlijk prima bij een dergelijk dictatoriaal systeem. En dus is het snel naderende einde geweldig en angstaanjagend tegelijk.
Lees verder »
Een groep vreemden, die in principe weinig anders met elkaar gemeen heeft dan een gemeenschappelijke gekte. Negen onbekenden, met wie je twee dagen per week in een troosteloze jaren tachtig bungalow wordt gepropt om te eten, te praten en je diepste geheimen op te biechten. Lekker samen therapeutisch navelstaren, janken en vooral: dingen de-len. Mij leek het eigenlijk helemaal niets, dat hele concept groepstherapie. Ik doe niet aan openlijk huilen. Ik haat mijn eigen kwetsbaarheid. En mijn gedachten zijn van mij.
Lees verder »
In psychiatrische klinieken is men dol op etiketten. Wat dat betreft is het er net de gewone wereld, met het verschil dat de labels hier niet gaan over zaken als ‘uiterlijk’, ‘opleidingsniveau’ of ‘etnische afkomst’, maar worden gebruikt om afwijkingen te duiden. Schizofrenie, anorexia, narcisme, borderline, depressie; elke gek zijn eigen hokje. Dat maakt de behandeling namelijk gemakkelijker. En is bovendien handig voor de verzekering. Lekker duidelijk, lekker overzichtelijk. Alles helder, iedereen blij. Zou je denken.
Lees verder »
Voor iemand die – net als ik – van competitie houdt, is een eetstoornissenkliniek een prima plek. Zolang je je aan de regels houdt, voldoende eet en – niet onbelangrijk – acht ons per week aankomt, ben je een winnaar en word je overladen met lof. Neem je een loopje met het regime, werk je te weinig voedsel weg of neemt je gewicht – god verhoedde – niet snel genoeg toe, dan ben je een sukkel. Een zwakkeling. Een verliezer.
Lees verder »
Het zou mooi zijn als ik me nog kon herinneren wanneer ik voor het laatst ergens trek in had. Dat ik over vijftig jaar op mijn leven kon terugkijken en zeggen: ‘ik weet het nog goed, het was 15 januari 1992 en ik had de onbedwingbare behoefte aan een pure chocoladereep met hazelnoten’. Er moet ooit een tijd zijn geweest dat ik daadwerkelijk genoot van eten. De waarheid is echter dat ik zelf geen flauw idee heb wanneer dat precies zo was. Hoe het voelde. En wat er daarna veranderde. Lees verder »
Voor iemand die nauwelijks eten tot zich neemt, denk ik er verontrustend vaak aan. Hele dagen verdwijnen in de eeuwige ‘zal ik wel, of zal ik niet?’ strijd die zich afspeelt in mijn hoofd. Wel of geen minuscuul stukje taart als een jarige collega uitdeelt – weigeren kan als een belediging worden opgevat, toestemmen heeft een dag van totale paniek tot gevolg -, wel of geen plakje volvette kaas wanneer de 30+ variant in de kantine op blijkt te zijn, wel of geen broodje kroket van de snackbar als ik voor mijn werk op pad ben en zelf niet kan bepalen hoe mijn avondmaaltijd eruit zal zien.
Na 6 maanden therapie ben ik 145 geroosterde boterhammen met pindakaas, 24 praatsessies, 186 huilbuien en 5,5 kilo verder. De psycholoog is opgetogen, prijst herhaaldelijk mijn doorzettingsvermogen, begint enthousiast aan een nieuwe gewichtsgrafiek met 62 kilo als nulpunt. Terwijl het met de kilo’s crescendo gaat, slagen we er zelfs in een flink aantal moeilijke onderwerpen bespreekbaar te maken.
Er zijn onderwerpen waar je het liever niet over hebt. Omdat het simpelweg te pijnlijk is om erover te praten. Of omdat je, zolang ze niet hardop zijn gezegd, kan doen alsof ze niet waar zijn. De kop-in-het-zand methode heeft jarenlang als mijn overleefstrategie gefungeerd. Werd ik door iemand slecht behandeld? Niet meer aan denken. Verloor ik mijn baan? Negeren en doorgaan. Belandde ik in het ziekenhuis? Blocken en vergeten.
Soms lijkt de werkelijkheid ongeloofwaardiger dan het meest clichématige Hollywood-scenario. Begin juni komt eindelijk het lang verwachte en gevreesde telefoontje: de kliniek heeft plek voor me, ik kan twee weken later langskomen voor een intake. Met de officiële uitnodiging per brief valt er ook een dikke stapel papier in de bus. Allemaal vragenlijsten die ik voor de afspraak moet invullen. De dagen daarna worstel ik me dapper door de schijnbaar eindeloze hoeveelheid vragen heen. ‘Denk ik wel eens na over de dood?’ ‘Heb ik, als ik over straat loop, het idee dat de hele wereld het op me heeft gemunt?’ ‘Beperkt mijn geestelijke toestand me in het dagelijks functioneren?’ ‘Voel ik me wel eens bang/boos/agressief/verdrietig/ongelukkig/wraakzuchtig/alleen?’








Laatste reacties