*

 

18 maanden.Dat is 78 weken. 546 dagen. 13.104 uur. 786.240 minuten. 47.174.400 seconden. Een behoorlijke lange tijd om naar je eigen navel te staren.Toch is dat precies wat ik de laatste 1,5 jaar met mijn leven heb gedaan. En eigenlijk ben ik net begonnen. Toen ik me in de zomer van 2008 voor het eerst meldde bij de anorexiakliniek, dacht ik zelf dat het wel meeviel. Zoals iedereen met een eetstoornis, weet ik inmiddels. Oké, ik kan een kilootje of 15 ondergewicht. Sliep maar een paar uur per nacht. Strompelde van darminfectie naar trombosebeen naar huidontsteking. Altijd pijn, altijd bang, altijd eenzaam. Maar goed, iedereen heeft wel eens iets. Toch?
Lees verder »

 

Ik heb het altijd een vrij masochistische gewoonte gevonden, maar wie afscheid neemt in de eetstoornissenkliniek, trakteert. Bij voorkeur op iets vreselijks als slagroomtaart, zodat je achterblijvende groepsgenootjes je voor de rest van hun leven haten vanwege de dikmakende cholesterolbom die je hen op een zomaar een maandag- of donderdagochtend – niet eens het vaste ‘moeilijke-tussendoortjes-moment!’ – in hun maag hebt gesplitst.
Lees verder »

 

“Iedereen krijgt onherroepelijk ooit een terugval”, zegt de psycholoog. “Dat is niet erg, zolang je maar een plan hebt om te voorkomen dat je weer volledig in je oude gedrag vervalt. Daarom is het handig als er iemand uit je directe omgeving langskomt in de kliniek om over een terugvalpreventieplan te praten. Heb je daar zelf iemand voor in gedachten?”
Lees verder »

 

Nu eenmaal duidelijk is dat ik over een paar weken weg mag uit de kliniek, lijkt alles in een stroomversnelling te raken. Ik heb nog een hoop te doen en de overgebleven tijd is schaars, dus haast ik me van individuele therapie naar eet-experiment – deze week op het menu: chocoladepasta – en van spiegelsessie naar groepsgesprek. Met lichte tred, want het gaat goed, de laatste weken. Alsof ik, na maanden vruchteloos puzzelen, eindelijk snap hoe de afzonderlijke stukjes moeten worden gerangschikt om het volledige plaatje zichtbaar te maken. Na maanden van frustratie vallen dingen eindelijk op zijn plek. Een bijzonder machtig gevoel.
Lees verder »

 

Lente, zomer, herfst; mijn tijd in de eetstoornissenkliniek beslaat inmiddels drie seizoenen. Vijf maanden heb ik er nu opzitten. Vijf maanden van eten, praten, janken, schreeuwen en nog meer eten. Maar ook: vijf maanden van veiligheid. Van vooral veel ‘dingen moeten’ in plaats van zelf na te denken over wat ik wil. Van duidelijke regels en een systeem van straffen en belonen. Met mijn ijzeren discipline en regeltjes-fetisj gedij ik natuurlijk prima bij een dergelijk dictatoriaal systeem. En dus is het snel naderende einde geweldig en angstaanjagend tegelijk.  
Lees verder »

 

Een groep vreemden, die in principe weinig anders met elkaar gemeen heeft dan een gemeenschappelijke gekte. Negen onbekenden, met wie je twee dagen per week in een troosteloze jaren tachtig bungalow wordt gepropt om te eten, te praten en je diepste geheimen op te biechten. Lekker samen therapeutisch navelstaren, janken en vooral: dingen de-len. Mij leek het eigenlijk helemaal niets, dat hele concept groepstherapie. Ik doe niet aan openlijk huilen. Ik haat mijn eigen kwetsbaarheid. En mijn gedachten zijn van mij.
Lees verder »

 

Vannacht ging er even bijna iemand dood. Expres. En ik was het niet, wat direct ook ongeveer het enige positieve is dat ik erover kan melden. Ik was er wel de halve nacht nogal druk mee, met dat bijna doodgaan van iemand. Pas na een uur soebatten en smeken mocht de dokter worden ingeschakeld. Daarna belde ik met de crisisdienst. Iemand die naar het ziekenhuis toe kon. Weer met de crisisdienst. En vervolgens mijn eigen support system, omdat ik – toen alles na drie uur koelbloedigheid eenmaal was geregeld – ineens niet meer kon ophouden met bibberen. Lees verder »

 

Op zomaar een maandagochtend stap ik, net zoals de 18 maandagen daarvoor, om 9 uur ‘s ochtends de weegkamer binnen. Ik ben gestresst omdat ik me die ochtend heb verslapen en de hele weg naar de kliniek heb gerend om maar niet te laat te arriveren. Nadat ik mijn kleren allemaal keurig over de stoel heb gehangen, stap ik achterstevoren de weegschaal op. Expres, want bij wijze van experiment mag ik al een maand niet meer zien hoeveel ik weeg. Zodat ik ga leren naar mijn lichaam te kijken in plaats van naar de cijfers op de weegschaal.
Lees verder »

 

Wie zijn arm of been verliest, kan nog jarenlang last hebben op de plek waar het ledemaat heeft gezeten. Wie ineens niet meer kan zien, verlangt vaak tot in den treure terug naar de tijd dat hij zijn geliefden nog kon bekijken. Of een zonsondergang. Of iets simpels als zijn eigen spiegelbeeld. Eigenlijk werkt het met gevoelens precies hetzelfde. Ook bij gevoelens die je daarvoor nooit hebt gehad.
Lees verder »

 

In de maand na mijn klinkende overwinning lukt het me weer eens aardig om de voortekenen te negeren. Therapie, werk, afspraken met vrienden; ik ben overal bij. En tegelijkertijd ook weer niet. Want stiekem gaat het de laatste tijd weer slecht. Ik ben bang. Verdrietig. Ongerust. Omdat ik niet meer zo zeker weet of het echt wel allemaal beter wordt. Langzaam begin te twijfelen aan het nut van alle inspanningen. En daardoor steeds meer moeite moet doen om voldoende motivatie op te brengen. Alleen weet niemand dat, omdat ik na anderhalf jaar klote therapie nog steeds niet dapper genoeg ben om dat eerlijk te vertellen. Lees verder »

 

In psychiatrische klinieken is men dol op etiketten. Wat dat betreft is het er net de gewone wereld, met het verschil dat de labels hier niet gaan over zaken als ‘uiterlijk’, ‘opleidingsniveau’ of ‘etnische afkomst’, maar worden gebruikt om afwijkingen te duiden. Schizofrenie, anorexia, narcisme, borderline, depressie; elke gek zijn eigen hokje. Dat maakt de behandeling namelijk gemakkelijker. En is bovendien handig voor de verzekering. Lekker duidelijk, lekker overzichtelijk. Alles helder, iedereen blij. Zou je denken.
Lees verder »

 

Ik heb een nieuw lijf. Met grotere borsten, een taille, heupen en ronde billen. Een lijf dat het niet bij elke inspanning dreigt te begeven. Een lijf dat soms geen pijn doet. Ik heb ook een nieuw gezicht. Met wangen waar je bijna in kan knijpen. Een gezicht met een gezonde kleur. Een gezicht dat soms rust en tevredenheid uitstraalt. Al voelt het meestal anders. Lees verder »

 

‘Weet je dat je heel netjes huilt? Je maakt geen geluid. Krijgt geen loopneus. En nog voor je tranen überhaupt over je wangen kunnen rollen, heb je ze al rigoureus weggeveegd. Waarom is dat?’ De psychiater kijkt me vragend aan. Na een panische maandag ben ik op dinsdagmiddag wederom in de kliniek. Voor een spoedafspraak met de pillendokter, die is ingeschakeld omdat ik al weken nauwelijks slaap. En niet meer kan ophouden met janken.
Lees verder »

 

Wat doe je als je ophoudt met geloven dat het ooit allemaal weer beter wordt? Ik vraag het me de laatste tijd steeds vaker af. Terwijl ik het antwoord natuurlijk eigenlijk wel weet. Dan geef je het op. Dan is het afgelopen. Ik heb nog een paar dagen voor de laatste 1,3 kilo. Red ik het niet, dan moet ik weg. Red ik het wel, dan heb ik geen flauw idee wat ik eigenlijk heb gewonnen. Maar ik heb weinig te verliezen, dus eet ik door. In totaal 3.100 calorieën per dag. Het past net. Verder komt het neer op rusten, niet bewegen, huilen en volhouden. Met in mijn hoofd steeds hetzelfde mantra.  ‘Eten, kauwen, doorslikken’. ‘Eten, kauwen, doorslikken’. ‘Niet kotsen’. ‘Niet kotsen’. ‘Blijven ademen, blijven ademen, blijven ademen.’  Lees verder »

 

Er staat sinds kort een levensgrote foto in mijn woonkamer. Strategisch opgesteld, vlak voor de televisie, zodat ik hem extra goed kan zien. Op die foto staat een meisje. Een meisje met grote stralende ogen, een enorme bos haar en blozende wangen. Een meisje dat net drieëntwintig is geworden en een paar maanden eerder haar studie heeft afgerond. Een meisje dat niet kan wachten aan de rest van haar leven te beginnen. Een meisje met een gezond gewicht. Een meisje dat gelukkig is. Ik ben dat meisje. Of eigenlijk: ik ben dat meisje ooit geweest. Lees verder »

 

Tot een jaar geleden was mijn leven in sommige opzichten een stuk simpeler. Ik hanteerde duidelijke regels. Zorgde dat ik me daar altijd aan hield. En hoorde de hele dag hetzelfde riedeltje in mijn hoofd. Eten is eng. Eten is slecht. Eten is de vijand. Twaalf maanden later is de situatie beduidend anders. In plaats van 500, werk ik tegenwoordig zo’n 2500 calorieën per dag weg. Waar mijn BMI eerst 15 was, zit ik nu op 18. Maar de stem is er nog steeds. Met cognitieve therapie wordt geprobeerd de demonen in mijn hoofd het zwijgen op te leggen. Alle etensangsten die ik heb, moeten wekelijks worden vastgelegd in een cognitief dagboek. In de hoop dat ik het op den duur zelf ook ga geloven. En eindelijk beter word. Lees verder »

 

Er zijn aardig wat dingen waar ik me voor schaam. Dat ik anorexia heb, om maar iets te noemen. Mijn lichaam. Het feit dat ik tegenwoordig twee dagen per week doorbreng in een eetstoornissenkliniek. De schamele progressie die ik er tot nu toe heb geboekt. Mijn geklaag daarover. Het gehuil in het openbaar. Mijn huidige royale eetpatroon. Maar hoe erg mijn gêne ook is, het valt allemaal in het niet bij één ding. Een gebeurtenis waarover ik me schuldiger voel dan al het andere. De verkrachting. En dat ik daar helemaal niets tegen heb gedaan. Lees verder »

 

Dan, als ik op het punt sta de moed op te geven, komt de vriendengroep in actie. Ze hadden het al eerder gezegd, natuurlijk. ‘Waarom denk je toch altijd dat je alles alleen moet doen?’, vroeg J. me maanden geleden. ‘Dit is veel te veel om zelf te dragen; accepteer nou eens hulp.’ Ik was echter eigenwijs. Omdat ik vond (en stiekem vind) dat ik mijn eigen problemen op moest zien te lossen. Maar nu heb ik geen andere keuze meer.  Lees verder »

 

Kort door de bocht: op 9 juni won rechts en verloor links. PVV grootste winnaar, VVD grootste partij, CDA gedecimeerd, en de PvdA naar eigen zeggen toch gewonnen omdat ze minder verloren hadden dan ze vantevoren vreesden (voor wie het nu toch al moeilijk wordt, ik kan het ook niet helpen dat de PvdA de redeneerlogica van een diepgevroren visstick heeft). Mark met Maxime en met Geert, dat leek het plan, en informateur Rosenthal moest het gaan regelen. Maar Maxime vond dat Mark en Geert eerst de heetste kastanjes samen maar uit het vuur moesten vissen, hij had als ‘verliezende partij’ immers weinig in te brengen. Kutsmoes, vond Geert, die er gelijk geen zin meer in had op die manier. ‘Met een lege stoel kun je niet overleggen.’ Dus kon Mark naar Job, die snel vriendjes maakte met Alexander en Femke. 1 juli een regering, had Mark beloofd. Dat ging nog heel moeilijk worden. Lees verder »

 

En toen was ik weer eens boos. Op de hele wereld, maar wederom vooral op mezelf. Omdat het me nog steeds niet lukt om aan te komen. De waarschuwingen zich rap blijven opstapelen. Ik het gevoel heb dat ik iedereen teleur stel. En de ‘grote doorbraak’ – insert Hollywood-momentje waarin de vrouwelijke hoofdpersoon een stralende horizon en even glorieuze toekomst tegemoet loopt – dientengevolge nog even op zich laat wachten.

Lees verder »

Switch to our mobile site